137 - Looft nu, mijn ziel, de Here
 
1 Looft nu, mijn ziel, de Here,
Looft, al wat in mij is, Zijn Naam!
Vergeet niet, hoeveel keren
De Here u heeft welgedaan.
Hij wil uw schuld vergeven,
U reden van de dood,
Gij zijt met heel uw leven
Geborgen in Zijn schoot.
De Heer vernieuwt uw krachten
Als van een adelaar,
Hij maakt wie Hem verwachten
Al Zijn beloften waar.
 
2 Gij armen en verdrukten
Ziet uit naar Hem, die u bevrijdt;
Gebeukten en gebukten,
in Zijn rijk is gerechtigheid.
Gij die, uzelf tot schade,
Des Heren weg verliet,
De Heer is vol genade,
Voor eeuwig toornt Hij niet,
Hij die voor u blijft zorgen,
De zonden van u doet
Als de avond van de morgen,
Ja, kwaad vergeld met goed.
 
3 De Heer is als een vader,
Die voor Zijn kinderen 't beste wil;
Wie Hem vertrouwend naad'ren,
Die geeft Hij rust, die maakt Hij stil.
Hij immers kent ons broze
Bestaan, want stof zijn wij,
Een teer geluk, als rozen
Zo schoon, zo snel voorbij;
Als gras zijn wij, als blaren,
Wanneer de najaarswind
Door 's levens boom komt varen,
Wie is er die ze vindt?
 
4 Maar 't rijk van Gods genade
Staat vast en blijft in eeuwigheid.
Zijn trouw komt hun te stade,
Die Hem getrouw zijn toegewijd.
Gij engelen, sterke helden,
Die doet zijn heilig woord,
Nooit moede ons te melden
Al wat gij van Hem hoort,
Looft Hem, gij zult Hem geven
De lof van 't gans heelal;
En gij mijn ziel, mijn leven,
Loof gij Hem bovenal!

Tekst: Johann Graumann
Muziek uit: Concentus Novi
Oorspronkelijke Duitse tekst: Nun lob, mein' Seel', den Herren
Liedboek voor de Kerken - lied 15
Schrift: Psalm 103:1