543 - Hoe groot zijt Gij!
 
1 O God, als oog en oor 't aanbidd'lijk wonder
Vernemen van Uw werken zonder tal:
Der sterren pracht, het dreunen van de donder,
Uw kracht en heerlijkheid in 't gans heelal,
 
Refrein Dan zingt mijn ziel tot U, mijn Heer, mijn Heil:
„Hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij!”
Dan zingt mijn ziel tot U, mijn Heer, mijn heil:
„Hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij!”
 
2 Als tussen 't loof der hemelhoge stammen
Het vogelkoor Uw lof, o Schepper, zingt,
Te midden van der bergen trotse kammen
Mij 't koeltje streelt en 't beekje klaat'rend springt,
 
3 Als 'k dan bedenk hoe God Zijn Zoon niet spaarde,
Maar Hem deed sterven, dan is 't mij te groot,
Hoe 's hemels Koning voor mij stierf op aarde,
Mijn zonde boette door Zijn bitt're dood,
 
4 Waar 'k mij met Christus mag gestorven weten
En leef door Hem, nu door geen vrees benard,
Nu d' Overwinnaar, op de troon gezeten,
Ook troont in mijn, door Hem gereinigd hart,
 
5 Als 'k slechts door Hem mijn Vader mag behagen,
Als Hij mij leidt en al mijn schreden wendt,
Als ik dan in mijn hart Zijn beeld mag dragen,
Hem kennen, die mij eeuwig heeft gekend,
 
6 En als Hem straks één juichtoon zal begroeten,
Als Hij mij thuishaalt, welk een heerlijkheid!,
Dan werp ik mij aanbiddend aan Uw voeten,
En roep het allen toe hoe groot Gij zijt!,