361 - Fluistering der hoop
 
1 Zacht als de stem van een engel,
Fier als het stil ruisend riet,
Zingt, onder schaduw van zorgen,
Hope, haar eeuwigheidslied!
Wacht tot de nacht is verdwenen.
Wacht tot de storm is bedaard.
Hoop op het zonlicht dat morgen
Stralen zal over de aard.
 
Refrein Fluist'ring der hoop,
Fluist'ring der hoop, fluist'ring der hoop,
O, hoe min ik uw stem!
O, hoe min ik, 'k min ja uw stem!
Spreek van Gods trouw,
Spreek van Gods trouw, spreek van Gods trouw,
Doe mij rusten in Hem!
Rusten in Hem, rusten in Hem!
 
2 Lijkt ook, bij scheem'ring des avonds,
't Zonlicht onzichtbaar en ver,
Toch dringt door 't nachtelijk duister
Schitt'rend een hemelse ster.
Waart ook de nacht om ons henen,
Straks breekt het morgenlicht aan.
Zo zullen w' ook, na dit leven,
Eenmaal in 't glorielicht staan.
 
3 Hope des eeuwigen levens,
Krachtbron die nimmer vergaat,
O, zing ons altijd van Jezus,
Tot onze ure eens slaat.
Dan zal het oog Hem aanschouwen,
Hem die ons harte bemint.
Kom, o gezegende morgen,
Naar u verlangt Jezus' kind!
 
(De in rood vermelde tekst is de tekst van de tegenzang.)