334 - Verzekerdheid
 
1 Niets kan mij scheiden, leven noch sterven,
Heden noch toekomst, klove noch rots.
Niets mij vervreemden, niets mij beroven
Van 't heilig erfdeel: de liefde Gods.
 
2 Niets doet mij weif'len, niets mij vertwijf'len,
Niets mij verdenken. De liefde Gods,
Van voor al' eeuwen, is zij gegrondvest
In Christus Jezus, de macht'ge Rots.
 
3 Niets kan verflauwen, niets kan doen tanen,
Niets kan ooit blussen, de liefde Gods.
God is mijn Burcht, en mijn zeer sterke Veste
In Christus Jezus, de eeuwige Rots.
 
4 Niets kan doen wank'len 't huis, dat ik bouwde,
't Huis mijns geloofs, op de eeuwige Rots.
't Huis is onwrikbaar gelijk zijn fundering:
In Christus Jezus, de liefde Gods.