332 - Meester, de stormwind giert woedend
 
1 Meester, de stormwind giert woedend,
De golven bedreigen mij,
De lucht is verduisterd door wolken
En nergens is hulp nabij.
Raakt het U niet, dat w' in nood zijn?
Hoe kunt Gij slapen, Heer,
Nu wij dreigen ons graf hier te vinden,
In 't kokende, diepe meer?
 
Refrein De wind en de golven, zij doen Uw wil:
Zwijgt, weest stil.
Zwijgt, weest stil, zwijgt, weest stil.
Hoe hoog ook de zee en haar golven slaan,
Demonen of machten, zij doen niet vergaan
Het scheepje waarop zich aan boord bevindt
De Meester van zee en van aard' en wind.
Zij allen buigen zich voor Uw wil:
Zwijgt, weest stil! Zwijgt weest stil.
Zij allen buigen zich voor Uw wil:
Zwijgt, zwijgt, weest stil.
 
2 Meester, in droefheid en angsten
En smart buig ik mij terneer.
Mijn hart is ten diepste bewogen.
Ontwaak toch en red mij, Heer!
Stormen van vrees en van zonde,
Slaan nu mijn ziel terneer.
Ik verga, o mijn dierbare Meester.
Neem haastig het roer, o Heer.
 
3 Meester, de stormen zijn over,
En kalm is het spieg'lend meer,
En zoals de zon straalt op aarde,
Straalt z' ook in mijn harte weer.
Blijf toch, gezegende Heiland.
Blijf en verlaat mij niet.
O, dan land ik met vreugd' in Uw haven,
Waar Gij Uwe rust mij biedt.
 
(De in rood vermelde tekst is de tekst van de tegenzang.)