221 - De Heer, o glorierijk verschiet
 
1 De Heer, o glorierijk verschiet,
Zal heersen over al 't gebied,
Van zee tot zee, tot 's aardsrijks eind,
Totdat geen zon of maan meer schijnt.
 
2 In eindeloze, reine stroom,
Stijgt dan aanbidding tot de troon.
Dan rijst Zijn Naam als wierookbrand,
Bij ied're morgenofferand.
 
3 En taal en volken worden een,
In 't prijzen van Zijn liefd' alleen,
En kinderstemmen juub'len saam:
„Looft Hem! Gezegend zij Zijn Naam.”
 
4 Aan dood noch vloek wordt meer gedacht,
Waar heerlijk straalt des Heilands macht.
Een voller heil is ons bereid,
Dan d' eerste scheppingsheerlijkheid.
 
5 Rijst op voor onze Vorst en geeft
Hem glorie, Hem, die eeuwig leeft!
Weer dalen eng'len juichend neer,
En 't aardrijk geeft het „Amen” weer.