204 - Gij komt weder
 
1 Gij komt weder, o mijn Redder,
Ja, Gij komt, mijn Vorst en Heer,
In Uw schoonheid, heerlijk stralend,
Vol van luister nederdalend.
Jub'lend zingt ons hart Uw eer.
Heerlijk rijst aan d' oostertrans,
Als heraut Uw hemels licht.
Kom, o heerser, in Uw glans,
Waar der zonne gloed voor zwicht.
 
2 Ja, Gij komt! Bij brood en beker,
Geven wij getuigenis.
Wilt Gij ons, die U gedenken,
Volheid van gemeenschap schenken,
Tonen dit geheimenis?
En met U, Heer, in Uw dood,
Maar nu levend uit Uw kracht,
Uit Uw troon! O wonder groot!
Ja kom haastig, Heer, ik wacht.
 
3 Ja, Gij komt, Heer, en wij zullen
U ontmoeten in de lucht,
U aanschouwen, U herkennen,
U aanbidden, U bekennen,
Wat ons hart slechts woordloos zucht.
Welk een loflied zal dat zijn,
Jubelend U tegemoet,
Totdat elke knie zich buigt,
In aanbidding aan Uw voet.
 
4 O, de vreugd', als w' U zien heersen,
Koning, Wien ons hart behoort,
Als U aller tong, o Here,
Heerlijkheid, aanbidding, ere,
Zingt met machtig dankaccoord,
Als Gij, Redder, Meester, Vriend,
Overwinnaar, eeuwig troont,
Heersend tot aan 's aardrijks eind,
Vorst, verheerlijkt en gekroond.