191 - Wij zien de ure naderen
 
1 Wij zien de ure naderen,
Met droefheid lang verbeid,
Die ons van u zal scheiden,
Zal 't zijn voor korte tijd.
Wij biÍn u onze wensen
Met dankbaar, vochtig oog.
God schenke u Zijn zegen!
Dat Hij u leiden moog'!
 
2 Al zullen weldra zeeŽn
U scheiden van ons oog,
Wij blijven steeds gedenken,
Aan hem (haar) die henentoog,
Die met geduld en liefde
Zich ons heeft toegewijd,
En met een troostvol woordje
Zo menig hart verblijd.
 
3 Dat vreugd' u vergezelle
En voorspoed U omring',
Totdat gij weer moogt keren
In onze kleine kring.
Wij reizen met u mede
En roepen blij te moe
U met een dankbaar harte
Een warm: „Tot weerziens” toe.