188 - Oproep van arbeiders
 
1 Daar is een oproep van de Heer des oogstes:
Komt en aanschouwt, de velden zijn reeds wit.
Waar zijn de maaiers, die Ik uit kan zenden?
Waar 's de ziele, die om werkers bidt (om werkers bidt)?
 
Refrein Gaat uit naar het veld (gaat uit naar het veld)
En helpt in de nood (en helpt in de nood).
Het koren is rijp (het koren is rijp),
De oogst is groot (de oogst is groot)!
Gaat uit naar het veld (gaat uit naar het veld)
En helpt in de nood (en helpt in de nood).
Het koren is rijp (het koren is rijp),
De oogst is groot (de oogst is groot)!
 
2 Brengt in het land de spade regen tijding.
Duizenden zielen zijn in grote nood!
O, dat uw hart van liefde word' bewogen!
Redt uw naaste van de eeuw'ge dood (de eeuw'ge dood).
 
3 Nog slechts een wijle en de Heer zal komen!
Zult gij met lege handen voor Hem staan?
Spreek en getuig, met woorden en door daden,
Van hetgeen Hij voor u heeft gedaan (u heeft gedaan)!
 
4 Broeder en zuster, laat uw lampje schijnen.
Redt vele zielen voor de eeuwigheid.
Laat door de Heil'ge Geest uw schreden leiden.
Weest een vat, tot Godes eer bereid (Gods eer bereid)!