187 - Het oude lied, dat eens mijn moeder zong
 
1 Toen 'k een kind was zag ik vaak mijn moeder
knielend voor haar Heer.
Al haar lasten, zorgen, moeiten legd' ze aan Zijn voeten neer,
En dan zong haar oude stem een lied van liefde wonderschoon,
Begeleid door gouden harpen van Gods eng'len voor de troon.
 
Refrein O, dat oude lied, dat eens mijn moeder zong,
Ik zing het keer op keer,
'k Vergeet het nimmermeer.
O, dat oude lied, dat eens mijn moeder zong,
Dat als een gouden zonnestraal diep in mijn harte drong.
 
2 O, wat zong mijn lieve moeder vaak van 't nieuw Jeruzalem,
Van de gouden straten waar zij eenmaal wand'len zou met Hem
In dat land van eeuw'ge zonneschijn en vol van bloemenpracht,
Waar geen dood of droefenis zal zijn, geen duist're zondemacht.
 
3 En nog ziet mijn oog de glimlach rusten op haar lief gezicht,
Als zij bad dat al haar kind'ren mochten wand'len in het licht.
O, de zegen dier gebeden volgde mij van tred tot tred,
Want de dierb're Heer verhoorde steeds mijn moeders trouw gebed.