97 - De verloren zoon
 
1 Afgedwaald, ach op het brede pad
Zwerf ik thans rond, o zo moe en mat.
Ver van mijn huis en mijn vaderstad
Stort ik thans meen'ge traan.
Beelden van wanhoop en levenssmart
Vullen mijn droevig berouwvol hart.
O, ik keer weer; hoe de satan tart!
'k Wil tot mijn Vader gaan.
 
Refrein Ja, ik sta op en keer weer (keer weer).
'k Keer weer terug tot mijn Heer (mijn Heer).
'k Vlucht met mijn schuld tot 't kruis (tot 't kruis).
'k Ga naar mijn Vaders tehuis (tehuis).
 
2 Waarom zou 'k sterven in 't vreemde land?
Wenkt niet van ver mij des Vaders hand?
Ja, Hij vergeeft mij van zond' en schand'.
'k Wil tot mijn Vader gaan.
En ik wil spreken: „O Vader mijn,
Stil toch mijn wroeging en hartepijn.
Laat mij, o Vader, uw huurling zijn.
Neem m' in gena slechts aan.”
 
3 'k Hoor reeds Zijn stem die spreekt: „Kom tot Mij!
'k Maak u van al uwe banden vrij.”
Waar is een helper zo trouw als Hij?
'k Zal naar mijn Vader gaan.
Niemand die zorgde ooit voor mijn ziel,
Die mij weerhield als 'k in zonde viel.
Neen, 'k zal niet langer Gods Geest weerstaan.
'k Wil tot mijn Vader gaan.