54 - Het hemelse land
 
1 O, ik denk aan dat land, aan dat heerlijke strand,
Waar de zon nimmer onder kan gaan,
Waar geen krankheid of rouw, noch verdriet meer zal zijn,
Waar ik dicht bij mijn Heiland zal staan.
 
Refrein Als de levenszon zinkt, en geen sterre meer blinkt,
Als het oog schreit zo menige traan (meen'ge traan),
O, dan denk 'k aan dat land, aan dat heerlijke strand,
Waar ik dicht bij mijn Heiland zal staan (ja zal staan).
 
2 Onder stormen en nood richt mijn blik zich omhoog,
Waar de glorie des hemels mij wacht,
En het „welkom” van hen, die mij voor zijn gegaan,
Bij mijn thuiskomst mij straks tegenlacht.
 
3 Hoe verlangt toch mijn ziel naar dat heerlijke land,
Naar die palmen en bloemen zo rein,
Waar de engelen zingen in blinkend gewaad,
En ik dicht bij mijn Jezus zal zijn.