9 - Toen ik gedoopt werd met Gods Geest en vuur
 
1 O, de wondervolle blijdschap en de glorie,
Die mijn hart doorstroomden in dat blijde uur,
Toen Gods liefde mij vervulde met victorie,
En 'k gedoopt werd met de Heil'ge Geest en vuur
(Gods Geest en vuur).
 
Refrein O, wat vreugde, dat Jezus kwam tot mij (kwam tot mij),
Dat Zijn kruisdood mij van zonde maakte vrij (ja maakte vrij).
Wat een zalig Pinksterfeest,
Is dat voor mijn ziel geweest,
Toen 'k gedoopt werd met Gods Geest en vuur (en met vuur).
 
2 In het licht van Gods genade zag 'k mijn leven,
Vol van zelfzucht, ijdelheid en dwaze trots.
Toen besloot ik, gans mijn al aan God te geven,
En op Hem te bouwen als mijn eeuw'ge Rots (mijn eeuw'ge Rots).
 
3 Nu is in mijn donker hart het licht ontstoken,
Van de liefde Gods, zo teer en wonderschoon,
En mijn ziel is als een rozenknop ontloken
Voor de zonneglans, die afstraalt van Gods troon (straalt van Gods troon).
 
4 't Zware oordeel is nu van mijn ziel geweken.
Gods gena verdreef de neev'len, koud en kil,
En Zijn Geest doorstroomt mijn hart als waterbeken,
Sinds ik mij ootmoedig boog voor 's Vaders wil (voor 's Vaders wil).