Kop
Bijbelstudie
Maak uw keuze:

Zonden

De Bijbel leert ons, dat we allemaal zondigen (Rom 3:23), niemand uitgezonderd (Job 15:14, Psalm 130:3, Psalm 143:2, Spr 20:9). Ook de mensen die beweren een goed leven te leiden en niet te zondigen, die zondigen (1 Joh 1:8). De bewering dat ze niet zondigen is een leugen, en dus op zich al een zonde. Bovendien maken ze God tot leugenaar (1 Joh 1:10), omdat God in Zijn Woord beweert, dat iedereen zondigt (Pred 7:20).

We hebben echter allemaal de opdracht gekregen om niet te zondigen (Rom 6:11-18) en om een volmaakt (Mat 5:48) en heilig (Heb 12:14) leven te leiden.

Gelukkig mogen we dankbaar zijn, dat God onze zonden vergeeft, indien we op Zijn Zoon Jezus Christus ons vertrouwen stellen en Hem volgen. We mogen blij zijn, dat we nu in een tijd van genade leven, maar dat geeft ons nog geen vrijbrief om te zondigen.

Om te weten, of we zondigen, zullen we allereerst moeten weten, wat zonden zijn. In het Nieuwe Testament wordt voor het woord „zonde” het Griekse woord „hamar'tia” gebruikt, dat letterlijk betekent: Het doel missen. Door de zonde lopen we het doel mis, dat God oorspronkelijk met ons had. Toen Adam en Eva in het paradijs waren, liepen ze door de zonde het doel van God mis. De mens was door God voorbestemd tot eeuwig leven en een goede omgang met God, maar de zonde gooide roet in het eten en leidde tot de dood voor de mens (Rom 6:23). Daarom moest de mens het paradijs uit, dat God speciaal voor Adam en Eva ontworpen had (Gen 3:22-24). De mens was tevens gemaakt, om over de aardbodem te heersen (Gen 1:26), maar door de zonde, werd deze aardbodem, waarop de mens moest leven, vervloekt (Gen 3:17). Adam wandelde regelmatig met God in het paradijs en praatte met Hem. Ze hadden samen een zeer nauwe relatie. Na de zondeval kon dit niet meer. Er ontstond verwijdering tussen God en de mens (Gen 3:8). De relatie tussen God en de mens werd gestoord.

Er wordt soms wel beweerd, dat de relatie verbroken werd. Dit staat echter niet in de Bijbel en is ook niet zo. God kon de mens nog steeds bereiken. Hij praatte met Zijn dienaren en profeten, Hij woonde in de tabernakel en in de tempel onder de mensen. Hij stuurde engelen naar de mensen en zelfs Zijn eigen Zoon. Het grote probleem was echter, dat door de zonde God niet meer bereikbaar was voor de mens. In het paradijs verborg de mens zich voor God. God verborg zich niet voor de mens, want Hij zocht Adam en Eva na de zonde op en riep ze ter verantwoording. Gods doel, om een nauwe relatie met de mens te hebben, met hen te wandelen en te praten, werd echter gemist door de zonde. De zonde drijft God en de mens uit elkaar en kan zelfs zover gaan, dat God zich ook voor de mens verbergt (Jes 59:2).

Rom 1:29-31, Gal 5:19b-21a en Openb 21:8 geven een aardige opsomming van wat zonden al zo zijn. Zonde is dingen doen, die niet mogen van God (1 Joh 3:4, 1 Joh 5:17a). Zonde is ook ook dingen niet doen, waarvan God zegt, dat je die behoort te doen (Jak 4:17). Voorbeelden van dit laatste zijn: God of de naaste niet liefhebben (Marc 12:29-31), geen barmhartigheid bedrijven aan de naaste, mensen in nood niet helpen etc. Denk aan het voorbeeld van de barmhartige Samaritaan (Luc 10:30-37).

Vaak worden door de mensen de zonden beoordeeld op basis van de mate, waarin ze opvallen. Zonden die erg opvallen, en die grote gevolgen hebben, worden dan als grote zonden beschouwd. Zonden die niet opvallen telt men niet.

Stel dat een spoorwegbediende een sein verkeerd zet, waardoor een zwaar treinongeluk ontstaat. Dat komt hem op een grote uitbrander van zijn baas te staan. Een dag eerder deed hij echter hetzelfde, maar toen liep het goed af. Deze fout werd niet opgemerkt en hij werd hiervoor niet gestraft. De Bijbelse methode is echter anders. Bepalend voor zonde is niet, wat mensen ervan zeggen of de mate waarin de zonde waargenomen wordt, maar wat God ervan zegt en je eigen geweten (Rom 2:15). Ook zonden die niet door mensen gezien worden, beschouwt God als zonden.

Zelfs zonden, die in gedachte bedreven worden en die niemand ziet of merkt, worden door God als zonden aangemerkt. Dat verkeerde gedachten ook zonden kunnen zijn blijkt uit het 10e gebod (Ex 20:17 en Deut 5:21). Dit tiende gebod gaat over zonden, die niemand kan zien, namelijk het begeren van zaken, die van een ander zijn. De eerste negen geboden gaan over het doen, of nalaten van handelingen. Overtreding van deze geboden vallen dus op bij de mensen. Overtreding van het tiende gebod valt bij de mensen niet op, want begeren, wordt alleen in gedachte gedaan. Het is geen handeling. Toch wordt deze overtreding als een zonde beschouwd. Trouwens, ook een aantal zonden, die wij reeds tegenkwamen in Rom 1:29-31, Gal 5:19b-21a en Openb 21:8, zoals: God haten, jaloezie, hoogmoed, vijandschap, woede etc. zijn zonden, die men in gedachten bedrijft.

De allereerste zonde op aarde was niet het eten van de verboden vrucht, maar de begeerte van de verboden vrucht. Deze begeerte was een zonde, die in gedachte bedreven werd (Gen 3:6). Ook Jezus benadrukt nog eens duidelijk, dat verkeerde gedachten ook zonden zijn (Mat 5:28).

De begeerte, die op zichzelf al een zonde is, brengt ook weer zonde voort (Jak 1:14-15). De begeerte baart weer andere zonden. Ook de zucht naar geld is een begeerte. Zij wordt zelfs de wortel van alle kwaad genoemd (1 Tim 6:10). Begeerte, die in de gedachte van de mens afspeelt, en die niet te zien is, een verborgen zonde dus, leidt tot andere zonden, zoals diefstal, afgunst, overspel, moord, haat, vijandschap, ruzie, woede etc. Begeerte is niet van God, maar van de wereld (1 Joh 2:16), waarvan de Here Jezus zei, dat Satan er de heerser over is (Joh 12:31, Joh 14:30a, Joh 16:11). De gehele wereld is in de macht van Satan (1 Joh 5:19). De begeerte, maar ook alle andere zonden, komen dus van Satan.

Ook koning David worstelde met verborgen zonden. We weten, dat hij zijn oog op Batseba had laten vallen, die de vrouw was van een soldaat in het leger van hem (2 Sam 11:2-3). Ook deze zonde baarde weer nieuwe zonden. Zij leidde tot overspel met deze vrouw (2 Sam 11:4) en vervolgens tot moord op haar man, door hem vooraan aan het front te zetten, zodat hij zou sneuvelen (2 Sam 11:5-17). Door deze moord verkreeg hij de mooie Batseba als vrouw en kwam tevens door de zwangerschap, zijn eerdere zonde bij Uria, haar oorspronkelijke man, niet uit. Voor de Heer blijft zulke zonden niet verborgen. Ook tegenover zijn volk is deze zonde niet verborgen gebleven, want het staat opgetekend in de geschriften, en er wordt tot op vandaag nog steeds over gesproken en geschreven, zoals onder andere in deze studie. Zoals gezegd, worstelde David met verborgen zonden. Dit is de reden dat hij in psalm 19 vraagt om vrijgesproken te worden van verborgen zonden (Psalm 19:13).

Zoals de verborgen zonden van David met Batseba en Uria reeds snel aan het licht kwamen, zo zullen uiteindelijk alle zonden, die nu verborgen zijn, eens aan het licht gebracht worden, want God weet alles (Rom 2:16, Pred 12:14, Luc 8:17, 1 Kor 4:5, Mat 9:4, Luc 9:47, Psalm 139:1b-2). God kan alle verborgen dingen zien, dus ook onze verborgen zonden en onze gedachten (Mat 6:4b, Mat 6:6b, Mat 6:18b).

Hoe kunnen we de zonden in onszelf tegengaan? Met name, de zonden, die we in gedachte bedrijven, zijn toch moelijk te voorkomen? Toch geeft de Bijbel een oplossing. Als we onze gedachten en ons hart vullen met Gods Woord, dan zullen we niet zondigen (Psalm 119:11). Op het moment dat we zonde bedrijven, wijken we af van dit Woord en hebben we dit dus niet in ons hart. Als we dicht bij God blijven, en Zijn Woord in ons hart dragen, zullen we niet gauw in zonde vallen. Het is immers God, die ons voor struikelen kan behoeden (Jud 1:24-25). Indien we vol zijn van Gods Woord, is er geen plaats voor de zonde in onze gedachte. Het is niet voor niets, dat de psalmist David Gods Woord zo roemt (Psalm 19:10b-11).

Gods Woord wijst ons de weg die we moeten gaan (Psalm 119:105). Als we het pad bewandelen, dat door Gods Woord beschenen wordt, zullen we de oneffenheden zien en ze vermijden, zodat we er niet over struikelen! Zo kunnen we succesvol de strijd tegen de zonde aangaan. Ik wens u veel sterkte en Gods hulp toe in deze strijd.

(Peter Ju)