Kop
Bijbelstudie
Maak uw keuze:

Moeten de christenen tienden aan de kerk betalen?

Voorwoord

Hier vindt u een diepgaande Bijbelstudie over het betalen van tienden aan de kerk. Vele christenen worstelen met de vraag of God dit voorschrijft aan de christenen, of dat er geen tienden meer in de huidige tijd betaald hoeven te worden. In veel kerken wordt de leer aangehangen, dat christenen hun tienden moeten betalen, omdat ze anders God bestelen. Er wordt hierbij gediscussieerd of men tienden van het bruto of netto inkomen moet betalen en of erfenissen en giften hier ook onder vallen. Ook de waardestijgingen van vermogen, zoals bijvoorbeeld koerswinsten is onderwerp van discussie. In anderen kerken zegt men dat tienden in deze tijd niet meer van toepassing zijn. Wie heeft er gelijk? Het enige juiste antwoord hierop is: „God”! Gods wil vinden we terug in „Zijn Woord”. Laten we dus kijken en bestuderen wat Zijn Woord ervan zegt. Dit moet het uitgangspunt zijn voor onze conclusie en niet de menselijke (valse) redeneringen, want Zijn Woord alleen is Waarheid.
Joh 1:17 zegt, dat het Woord van Jezus Waarheid is.
Als we de Here Jezus liefhebben, dan dienen we Zijn Woord te bewaren in ons hart en ons hieraan te houden. Joh 14:23-24.

Inhoud:

  1. Oorsprong en reikwijdte van de tienden
  2. Toepassing van de tienden in het Oude Testament
  3. Wat zegt het Nieuwe Testament over tienden?
  4. Wat zegt het Nieuwe Testament over geven aan de Heer?
  5. Gang van zaken in de eerste Christengemeenten
  6. Zijn de Oudtestamentische voorschriften over tienden ook nu nog geldig?
  7. Conclusie

1. Oorsprong en reikwijdte van de tienden

Voor de oorsprong van de tienden moeten we teruggaan naar het Oude Testament. We komen de betaling van een tiende deel voor het eerst tegen bij Abram, die een tiende deel van zijn heroveringen aan Melchisedek gaf (Gen 14:20b). Let wel, dat hij dus geen tienden van zijn inkomen gaf! Daarna komen we de tiendenbetaling bij Jakob tegen in Gen 28:20-22, waarin Jakob belooft, om een tiende deel van wat God hem geeft, aan de Heer terug te geven. Jakob verbindt hieraan echter 5 strikte voorwaarden:

  1. God moet Hem terzijde staan.
  2. God moet hem op zijn reis beschermen.
  3. God moet hem te eten geven.
  4. God moet hem kleding geven.
  5. God moet hem veilig bij zijn familie terugbrengen.

Alleen als aan al deze voorwaarden wordt voldaan, dan belooft Jakob een tiende deel te geven. Hij geeft God een behoorlijk lijstje van eisen op. Zonder inwilliging van al deze punten aanvaardt hij zelfs niet eens dat de HEER zijn God is. In beide gevallen, zowel bij Abram, als bij Jakob, is er betaling van tienden, maar deze gaan niet van God uit, maar van de mens. God legt ze niet op aan deze personen, maar ze betalen vrijwillig, als dank aan God, waarbij Jakob slechts alleen dankbaar is, als zijn wensenlijst volledig vervuld wordt. God eist hier geen betaling van tienden, maar krijgt de tienden uit dank. Dit is dus heel wat anders, dan de betaling van tienden, omdat God dit zo verordonneerd heeft.

De volgende plaats in de Bijbel waar we tienden tegenkomen is Lev 27:30-34. Hier worden de tienden door de Heer ingesteld, zoals uit de tekst blijkt, en aan IsraŽl bij monde van Mozes als wet opgelegd (vers 34). De gehele wet, en dus ook de tienden, die een onderdeel van de wet zijn (vers 34), zijn dus niet voor andere volkeren, maar alleen voor IsraŽl. Dit wordt nog eens extra bevestigd in Mal 3:22, waarin geschreven staat, dat de wet voor geheel IsraŽl geldt (dus niet voor andere volkeren). De werking der tienden is dus duidelijk begrensd binnen het volk van IsraŽl. Nergens in de Bijbel is ook maar ťťn tekst te vinden, die de Wet van Mozes op alle volkeren van toepassing verklaart. Het is een valse leer, om de wet van Mozes op alle volkeren van toepassing te verklaren. De wet maakt onderdeel uit van het verbond van God met IsraŽl. Dat blijkt al direct uit Deut 28:1, waarin staat, dat IsraŽl boven al de andere volkeren verheven zal worden, als ze zich aan de wet van Mozes houden. De wet van Mozes kan dus nooit en te nimmer voor al die andere volkeren bedoeld zijn!!!! Hoeven we als christenen de eerste 5 Boeken van de Bijbel, die de wet van Mozes vormen, dan niet meer te lezen? Zouden we die uit onze Bijbel kunnen verwijderen?
Het antwoord hierop is NEEN!
2 Tim 3:17-18 en Rom 15:4 zeggen, dat de gehele Schrift, dus inclusief de wet van Mozes, gebruikt kunnen worden voor onderricht en het weerleggen van dwalingen en fouten. Van het gehele Oude Testament, inclusief de wet van Mozes kunnen we leren. Ook deze Bijbelstudie is een lering uit het Oude Testament die dwalingen wil weerleggen.

2. Toepassing van de tienden in het Oude Testament

Dit hoofdstuk valt uiteen in 4 paragrafen:

  1. Voor wie waren de tienden?
  2. Waarover werden er tienden geheven?
  3. Wie moesten hun tienden betalen?
  4. Hoe werden de tienden betaald?

ß 2-1. Voor wie waren de tienden?

De tienden zijn een heffing die God aan IsraŽl oplegt voor Hemzelf (Lev 27:30). De tienden zijn niet voor de priesters of de Levieten, maar voor God. Als er te weinig of geen tienden betaald werden, dan zei God, dat Hij bestolen werd ((Mal 3:8)! Eigenlijk moeten we dit nog anders zien. Alles op aarde is reeds van de Heer. Dit kunnen we op zeer veel plaatsen in de Bijbel lezen (Ex 9:29, Ex 19:5, Deut 10:14, 1 Kron 29:11, Job 41:2 (NBG51), Psalm 24:1, Psalm 50:10-11, Psalm 89:12, Hag 2:8, 1 Kor 10:26). De mens is slechts als rentmeester op de aarde aangesteld om te heersen over Gods eigendommen (Gen 1:28). Hij mocht de aarde onder zijn gezag brengen. Ook de energie die de mens nodig heeft om zich inkomen te verschaffen komt van God (Deut 8:17-18). Werkelijk alles behoort Hem toe, inclusief de mensen, die de aarde bewonen! God staat Zijn volk echter toe, om 90% van de opbrengst zelf te gebruiken voor eigen onderhoud. We kunnen echter in Num 18:21 lezen dat de tienden, die God int voor Hemzelf, door Hem aan de Levieten geschonken worden, als vergoeding voor de werkzaamheden die zij bij de ontmoetingstent, de tabernakel (later de tempel), moesten verrichten. Zij waren ook de enige stam van IsraŽl, die geen eigen land als erfdeel gekregen hadden (Num 18:23-24, Deut 10:8-9), zodat ze geen voedsel voor zichzelf konden verbouwen. Wel hebben de andere stammen van IsraŽl een aantal steden en weidegrond aan hen afgestaan (1 Kron 6:49). Voor de Levieten was de Here hun erfdeel, die hen door de tienden voorzag in hun levensonderhoud. Van wat de Levieten aan tienden ontvingen, moesten zij echter ook weer hun tienden afdragen aan de Heer (Neh 10:39b). Deze tienden van de tienden waren dus voor de Heer (Num 18:26). Zij werden afgedragen aan de hogepriester Ašron (Num 18:28), (of later aan een afstammeling van hem). De priesters hadden immers evenmin grondgebied toegewezen gekregen (Num 18:20). Ook voor de priesters zorgde God door middel van de tienden van de Levieten en door andere offergaven.

Wat de Levieten aan de hogepriester gaven, werd opgeslagen in de voorraadkamers van de tempel (Neh 10:39b). De tienden die voor de Levieten waren, kwamen dus niet in die voorraadkamers terecht. De bekende tekst in Mal 3:10, slaat dan ook op de tienden die de Levieten afdroegen en NIET op de tienden van het gehele Joodse volk. De Levieten deden de Heer tekort in hun afdrachten. Dit blijkt ook duidelijk uit de tekst die daaraan voorafgaat, Mal 3:3. In deze tekst staat dat de zonen van Levi, de Levieten dus, gezuiverd zullen worden zodat ze juist zullen offeren aan de Heer. Dat deden ze dus kennelijk niet. Ze offerden te weinig. De Heer werd bestolen, doordat de Levieten hun tienden niet of niet volledig naar de voorraadkamers brachten.

Naast het tiendenoffer, kende de wet ook vele andere offers, waaronder het offer der eerstelingen. Dit was het eerste deel van de oogst en de veestapel, die ieder jaar afgedragen moest worden (Ex 13:1-2, Ex 23:19a, Ex 34:26a, Neh 10:36-38a). Dit offer mogen we niet verwarren met het tiendenoffer. Dit offer der eerstelingen dat alle agrariŽrs van alle stammen bijeenbrachten, werd eveneens in de voorraadkamers opgeslagen. Alles wat in de voorraadkamers werd opgeslagen had God aan Ašron en zijn nageslacht gegeven. Zij waren de priesters en zij mochten ervan eten (Num 18:8-13). De priesters zelf hoefden geen tienden af te dragen.

Niet ieder jaar hadden de Levieten recht op de tienden van het volk. Slechts ťťn keer per drie jaar waren de tienden voor de Levieten te bestemd (Deut 14:28-29, Deut 26-12:13). Wat voor de Levieten bestemd was, daar mochten ook de vreemdelingen, de weduwen, de wezen van de gebruiken, wat ze nodig hadden. De resterende twee jaren waren de tienden bestemd om er een feestmaal mee aan te richten met de eigen familie ten overstaan van de Heer (Deut 14:23) in een plaats die de Heer aanwees. Het was niet toegestaan om in de eigen woonplaats dit feestmaal aan te richten (Deut 12:17). Kon men de tienden vanwege de omvang niet naar de plaats van het feest vervoeren, dan verkocht men die, zodat men er niet mee hoefde te sjouwen. Van de opbrengst kocht men er dan later weer vlees, wijn en andere drank van ten behoeve van dit feestmaal (Deut 14:24-26). Ook de Levieten deden mee aan het feestmaal (Deut 14:27).

Merk op, dat de tienden nimmer voor de voorganger of de rabbi in een synagoge waren. Ook van de apostelen en de evangelisten lezen we nergens in de Bijbel, dat ze tienden geÔnd hebben. De gemeenteleden betaalden wel, maar geen tienden! Paulus vroeg geld aan diverse Gemeenten, om de Gemeente in Korinte te steunen (2 Kor 11:8). Het geld was dus niet voor hemzelf! In handelingen wordt vermeld, dat wat opgehaald werd, weer verdeeld werd onder de gemeenteleden (Hand 4:34-35) (dus niet voor de voorganger of kerkenwerk!) Petrus bezat geen geld, zoals hijzelf zei (Hand 3:6). Wat de gemeenteleden aan hem offerden was dus niet voor hemzelf. Ook van de Here Jezus lezen we nergens, dat Hij tienden gevraagd heeft tijdens Zijn bediening. De tienden waren voor de Here God, die van tweederde gedeelte een feestmaal liet aanrichten en van ťťnderde gedeelte de Levieten en de priesters onderhield en ook de weduwen, de wezen en de vreemdelingen. Voor het feestmaal werd dus twee keer zoveel gebruikt dan voor de Levieten, priesters, weduwen, wezen en vreemdelingen!

ß 2-2. Waarover werden er tienden geheven?

De tienden werden geheven over de opbrengst van het land, en werden dan ook in natura voldaan, in goederen dus (Deut 14:22, Lev 27:30). Ook werden er tienden op vee geheven (Lev 27:32). Merk hierbij op, dat het hier niet ging om het inkomen van de betreffende boer, maar om de totale veestapel van de boer op het moment van de afdracht. Alle beesten die hij in het afgelopen jaar voor eigen gebruik en voor zijn gezin genomen had of die hij verkocht had, of geruild voor andere goederen (en wat dus inkomen was), waren niet meer in de veestapel en telden daardoor dus niet meer mee. Ook de kosten die de boer gemaakt had konden niet worden verrekend De tienden werden geheven op de opbrengst die aanwezig was op het moment van telling.

Voorbeeld:
Een boer heeft 100 schapen.
Er worden in het lopende jaar 80 schapen geboren.
Er gaan 5 schapen dood.
Met zijn gezin en familie eet hij 25 schapen op.
Hij verkoopt 35 schapen om van dat geld andere zaken ten behoeven van hemzelf en zijn familie te kopen.
10 schapen ruilt hij voor een kameel om zijn goederen te kunnen vervoeren.
Aan zijn herder betaalt hij 15 schapen voor het hoeden van de kudde.
Eind van het jaar heeft hij nu 100 + 80 - 5 -35 - 10 -15 = 115 schapen.
Aan het eind van het jaar, op het moment van telling, betaalt hij zijn tienden met elk tiende schaap = 11 schapen.
Over de laatste 5 schapen, die geen volledig 10-tal meer vormen, betaalt hij dus geen tienden. Het is dus een heel simpel systeem. Ook met de opbrengst van de schapen, de wol die hij verkocht heeft, wordt geen rekening gehouden.
De tienden waren geen heffing op inkomsten maar een speciale agrarische heffing voor de Heer.

ß 2-3. Wie moesten hun tienden betalen?

Nergens in de wet staat ook maar ťťn tekst waaruit blijkt, dat tienden geheven werden op wat de arbeiders verdienden die geen agrariŽrs waren. Van de timmerlieden, de smeden, de vissers, de tentenmakers en de handelaren etc. werden dus geen tienden geheven!!! Zij hadden immers geen opbrengst van de grond, tenzij ze nog een klein stukje agrarische grond erbij hadden. We lezen bijvoorbeeld van de schriftgeleerden en FarizeeŽn, dat zij tienden betaalden over de agrarische opbrengst van een stukje land (Mat 23:23). Slechts de agrariŽrs betaalden tienden over de opbrengst van het land.

ß 2-4. Hoe werden de tienden betaald?

De tienden werden ťťn keer per jaar afgedragen (Deut 14:22, Neh 10:36). Dit ligt ook voor de hand, omdat het een heffing op de veestapel en de jaarlijkse oogst was. In de twee jaren, dat de Levieten de tienden niet mochten gebruiken, bracht de boer ze naar de plaats, die de Heer aanwees, om ze aldaar te nuttigen volgens de voorschriften (Deut 14:23) zoals reeds eerder beschreven is. Het derde jaar mocht de Leviet, de weduwe, de wees en de vreemdeling van de tienden eten. Het was de Levieten toegestaan, om zelf de heffing van deze tienden ter hand te nemen, onder begeleiding van een priester (Neh 38b-39a).

3. Wat zegt het Nieuwe Testament over tienden?

Dit hoofdstuk valt uiteen in 2 paragrafen:

  1. Alle Nieuwtestamentische teksten over tienden
  2. Verandering van de aard van het priesterschap

ß 3-1. Alle Nieuwtestamentische teksten over tienden

In het Nieuwe Testament wordt nauwelijks over tienden gesproken. Als er al over gesproken wordt, dan zijn dat verwijzingen naar de wet van Mozes, die natuurlijk voor het Joodse volk geldig was, of vermeldingen van voorvallen die in het verleden plaatsgevonden hadden. We zullen alle teksten in het Nieuwe Testament waarin over tienden gesproken wordt eens onder de loep nemen. Van de teksten die in de EvangeliŽn vermeld staan, moeten we hierbij bedenken, dat dit eigenlijk nog Oud Testament is. Wil er van een testament sprake zijn, dan moet er iemand overleden zijn (Heb 9:16-17). Ten tijde dat de Here Jezus Zijn bediening op aarde had, was Hij nog niet overleden. Het Nieuwe Testament gaat dus eigenlijk pas in bij Zijn dood aan het kruis.

Dit zijn alle Nieuwtestamentische teksten, waarin over tienden gesproken wordt:

Mat 23:23, Luc 11:42
Hier zien we dat de Here Jezus de schriftgeleerden en FarizeeŽn er van langs geeft, omdat zij huichelachtig waren ten opzichte van de toepassing van de wet. De schriftgeleerden en FarizeeŽn hielden streng toezicht op de toepassing van de wet, maar Jezus zei hen, dat ze zelf niet recht, trouw en barmhartig waren, hetgeen zij volgens de wet ook verplicht waren. Let wel, dat Jezus niet zij dat de wet niet geldig was. De Joden aldaar leefden nog steeds onder de wet.

Luc 18:12
Dit komt voor in een gelijkenis van Jezus en is een uitspraak van een huichelachtige farizeeŽr.

Heb 7:2-10
Dit is een navertelling en uitleg van de tienden, die Abraham vrijwillig aan Melchizedek betaalde.

ß 3-2. Verandering van de aard van het priesterschap

We komen bij al deze teksten geen enkele oproep tegen om in de Nieuwtestamentische Gemeente tienden te betalen. Sterker nog, even verder komen we in het betreffende hoofdstuk van HebreeŽn als conclusie een tekst tegen, dat de aard van het priesterschap veranderd is, en dus ook de wet (Heb 7:12). Nu is Jezus onze Hogepriester (Heb 4:14) en zijn de gemeenteleden de priesters (1 Pet 2:9, Openb 1:5b-6) en er zijn geen Levieten meer voor de tempeldienst. Er is geen door mensen gebouwde tempel meer waar God in woont en waarin Hij zich laat bedienen door dienaren. (Hand 17:24-25). De tempel waarin God nu woont is het hart van de christen (1 Kor 3:16-17, 1 Kor 6:19). Het Nieuwe Testament roept dus zeer zeker niet op tot het betalen van tienden door gemeenteleden.

4. Wat zegt het Nieuwe Testament over geven aan de Heer?

Hoeven de gemeenteleden dus niet meer te betalen aan de Heer? Jazeker wel, maar geen afgedwongen percentage van 10% op basis van de wet (2 Kor 9:7). De gemeenteleden geven blijmoedig, uit liefde voor het werk van de Heer. Hierbij hoeft dat geven niet in het kerkenzakje of op de bankrekening van de eigen kerk of gemeente te zijn (Mat 25:37-40). Ook het financieel ondersteunen van een broeder of zuster in nood, is geven aan de Heer.

Mensen die geen geld hebben om bij te dragen, dienen te ontvangen van de kerk uit liefde en barmhartigheid. Dat is een vorm van naastenliefde, zoals dat door de Here Jezus aan een ieder opgedragen is (Mat 25:35-39, Hand 20:35, 1 Tim 5:16). Het getuigt niet van naastenliefde, om van mensen, die nauwelijks genoeg geld hebben om te eten, ook nog tienden af te persen. Er zijn mij gevallen bekend van mensen, die bij de bank een lening moesten afsluiten, om hun tienden te kunnen betalen aan hun Gemeente. Er was hun gezegd dat er een vloek over hen zou komen als ze hun tienden niet zouden betalen. Daarbij gaf men hun dan vers 9 van de bekende Bijbeltekst uit Mal 3:8-10 mee. De mensen, die onder dwang betaald hadden, kwamen in de schulden en konden die niet meer aflossen.

De gebruikte tekst haalde men zo geheel uit de context en wendde die aan als dwangmiddel om de tienden te betalen. Dit is geheel in tegenspraak met de reeds genoemde tekst uit 2 Kor 9:7. Zoals reeds eerder gezegd, slaat dit gedeelte van Maleachi op de Levieten, die God bestalen (Mal 3:3) en vormt deze tiendenplicht onderdeel van de wet van Mozes, die alleen voor IsraŽl geldt (Mal 3:22). Trouwens, het hele boek van Maleachi is geschreven aan IsraŽl, en niet aan andere volkeren (Mal 1:1). De tiendenbetaling was een Bijbelse belastingheffing voor het volk van IsraŽl. Ook in veel andere landen heb je een dergelijk belastingsysteem gehad (Denk maar bijvoorbeeld aan de tiende penning van de Spaanse landvoogd Alva in Nederland). Christenen echter zijn kinderen van de Heer (Joh 1:12, Rom 8:14, 2 Kor 6:17-18, Gal 3:26, Gal 4:6, 1 Joh 3:1a) en kinderen hoeven geen belasting te betalen (Mat 17:25b-26).

Naastenliefde is een zeer belangrijke plicht voor de christen, die de gehele wet vervult. De christenen dienen dan ook niet te geven op basis van de tiendenbelasting volgens de wet van Mozes, maar uit liefde voor hun Heer en uit liefde voor hun naaste (Gal 5:14). Daarom moet dan ook iedere christen geven naar vermogen. In feite moet hij alles geven (Luc 14:33). Zonder afstand te doen van bezit kan men geen discipel van Jezus te zijn. Deze regel, die Jezus zelf stelt, is niet af te kopen met een betaling van 10% van het inkomen voor de eigen gemoedsrust en al je verdere bezit van jezelf te beschouwen, menende, dat je aan je plicht hebt voldaan. Dat is niet de boodschap van het Nieuwe Testament en niet de boodschap die de Here Jezus brengt. Als je veel bezit hebt, dan is dat een zegen, omdat je er anderen mee kunt helpen als vorm van naastenliefde (Spr 14:31). Als je het voor jezelf houdt, dan leidt dat tot verslaving. Je wilt dan steeds meer hebben. (Pred 5:9). Als je vermogend bent en ziet dat je broeder gebrek hebt en weigert hem te helpen, dan loop je zelfs het risico om Gods liefde te verliezen (1 Joh 3:17) en het Koninkrijk van God te missen (Luc 18:24-25). De zegen is echter om je broeder wel te helpen. Je zult er later de beloning voor krijgen (Mat 25:34-40, Spr 19:17, Rom 2:6, Openb 22:12). De opdracht van de Here Jezus is ook, om in het verborgene te geven (Mat 6:1-4). Het geven van een vast percentage van 10%, zodat een ieder exact weet wat je geeft is hiermede volkomen in strijd.

Het werk van de Heer, zowel in als buiten de eigen Gemeente moet ondersteund worden door de gemeenteleden, zowel door inzet als financieel, een ieder naar vermogen. De arbeiders in het evangelie hebben het recht, om van de giften van de gemeenteleden te leven, (1 Tim 5:17-18, 1 Kor 9:14) maar het is zeker geen plicht om je te laten onderhouden door de Gemeente, zoals blijkt uit wat Paulus schrijft (1 Kor 9:15a). Tegenwoordig kom je nog wel eens zogenaamde grote Godsmannen tegen, die een wereldwijde bediening hebben en soms tot 100 miljoen dollar per jaar aan collecte incasseren ten laste van vaak zeer arme toehoorders in derdewereldlanden, die nauwelijks of niet voldoende te eten hebben. Ze hebben een heel groot imperium opgebouwd en leven vaak in grote weelde. De Heer heeft hen dan zogenaamd gezegend, zoals men zegt. Dit is echter volstrekt onbijbels. Het gaat in tegen het gebod van naastenliefde, terwijl de Bijbel ons bovendien leert dat je met onderhoud en onderdak tevreden moet zijn (1 Tim 6:8). De grootste Evangelieprediker ooit was de Here Jezus zelf, maar Hij leefde eenvoudig en was arm. Hij had geen eigen vaste slaapplaats (Mat 8:20) en toen Hij eens tempelbelasting voor zichzelf en voor Petrus moest betalen had Hij het geld niet. Hij liet toen echter een wonder geschieden en met de munt uit de vis betaalde Hij de belasting (Mat 17:24-27). De waarde van de munt was precies groot genoeg om de belasting te betalen. De tempelbelasting was 2 drachme per persoon. De waarde van de munt was 4 drachme, dat was precies de belasting voor Jezus en Petrus.

De gemeenteleden dienen allereerst zo mogelijk de kosten van hun eigen Gemeente te betalen en als het even kan ook bij te dragen in de tekorten van andere Gemeenten. Als voorbeeld dient de Gemeente te Korinte, die ondersteuning kreeg vanuit andere Gemeenten (2 Kor 11:8). Ook degenen die door de Gemeente uitgezonden worden, of door andere Gemeenten uitgezonden worden hebben recht op ondersteuning. Veel van de Bijbelse apostelen hadden geen vaste eigen Gemeente. Zij waren voortdurend op reis om het Evangelie te verkondigen. Toch hadden ze recht op betaling en kostenvergoeding, en velen kregen dit ook (1 Kor 9:14). Zij werden onderhouden door de gezamenlijke Gemeenten.

Bij alle giften moet men bedenken, dat gierigheid niet op zijn plaats is (1 Tim 6:10, 2 Kor 9:6). De gift moet echter een vrijwillige blijmoedige bijdrage zijn, zonder dat er ook maar enige dwang toegepast wordt. Als voorbeeld mag dienen wat Petrus tegen Ananias zei bij de verkoop van zijn grond. Hij had het niet hoeven verkopen, en met de opbrengst mocht hij doen wat hij wilde (Hand 5:3-4). Het geven van de opbrengst was dus niet verplicht. Een gift aan de Heer is vrijwillig, maar bedenk, dat al het geld eigenlijk al van God is, en Hem toekomt (Hag 2:8).

5. Gang van zaken in de eerste Christengemeenten

In de eerste Christengemeenten werd niet gecollecteerd. Ook een collectezak of iets dergelijks onder de neus kan men al als dwang ervaren om er wat in te doen. De eerste gemeenteleden maakten hun bezittingen te gelde en brachten de opbrengst hiervan vrijwillig aan de voeten van de apostelen (Hand 2:45, Hand 4:34-35). Ze beschouwden niets als hun persoonlijk eigendom (Hand 2:44, Hand 4:32b). Hun gehele vermogen stond ten dienste van de Heer. Ze hadden goed begrepen, dat hun gehele vermogen de Heer toebehoorde. Het gevolg was, dat er niemand gebrek had. Ze deelden alles met elkaar en ze leefden als ťťn gemeenschap (Hand 4:32a). Wat een enorm verschil met de tegenwoordige Gemeenten! In die eerste Gemeenten gold de wet van de liefde voor de Heer en voor elkander. Het gevolg was, dat de eerste Gemeenten snel groeiden. Dagelijks werden er nieuwe gelovigen aan toegevoegd (Hand 2:41, Hand 2:47b). De huidige Gemeenten zijn vaak helaas nog maar een flauwe afschaduwing van de levende eerste Bijbelse Gemeenten. Vele hebben de wet van de liefde de rug toegekeerd en zijn weer teruggevallen op de letter van de wet. De Bijbel zegt echter, dat de letter van de wet doodt, maar dat de Geest weer levend maakt (2 Kor 3:6, Rom 7:6). Waar de Geest van God is, daar is leven, vrijheid en blijdschap (2 Kor 3:17, Rom 14:17).

6. Zijn de Oudtestamentische voorschriften over tienden ook nu nog geldig?

Als u het voorgaande aandachtige gelezen en bestudeerd heeft, dan weet u al het antwoord op de vraag die hierboven staat. Er is geen tempeldienst meer en er zijn geen Levieten, dus betalen de Joden van vandaag de dag geen tienden meer. De christenen hebben nooit tienden hoeven betalen. Zij zijn nooit onder de wet van Mozes geweest. De wet was en is voor IsraŽl. De christenen hebben een beter verbond met de Heer (Heb 8:6, 2 Kor 3:6, Rom 7:6). Zij vallen onder het genadeverbond.

Het is een drogreden om slechts ťťn onderdeel van de wet van toepassing ter verklaren en de rest allemaal niet. Als iemand de tienden van toepassing verklaart, waarom dan niet ook de sabbat in plaats van de zondag, en waarom laat hij zich dan ook niet besnijden? Enkel de tienden uit de wet lichten en alleen deze van toepassing verklaren is creatief en selectief omgaan met de wet. Die creativiteit uit zich ook, doordat men de regels inzake de tienden radicaal heeft aangepast, afwijkend van de wet van Mozes.

Deze afwijkingen zijn:

OmschrijvingRegel volgens de wet van MozesAfwijkende toepassing
in vele kerken
Opgelegd aan wie:Alleen IsraŽlDe christenen
Voorwerp heffing:Alleen agrarische producten en veeHeffing op alles
Omslag:Heffing op bezit op moment van tellingHeffing op inkomen
Afdracht:In naturaIn geld
Betalingsmoment:Eťn keer per jaarElke maand
Betaling aan:Levieten, weduwen, wezen, vreemdelingen 1/3 deel
Feestmaaltijd met familie 2/3 deel
Gemeente
Doel:Ter ere van de Heer
Voor de tempeldienst
Barmhartigheid aan de zwakken
Kostenbestrijding van de Gemeente
Salarisbetaling aan de voorganger

Het bovenstaande illustreert de grote leugen, die in vele kerken gehanteerd wordt. Het afpersen van tienden is onchristelijk en een misleiding van de gemeenteleden.

Mag u dus geen tienden meer betalen? Jazeker wel. Als u graag 10 procent van uw inkomen aan de Gemeente wil geven dan bent u daar geheel vrij in. U betaalt dan blijmoedig uit vrije wil, zonder dwang.

Als u het echter doet, omdat het van u geŽist wordt, dan bent u verkeert bezig. Dan acht u zich geheel of gedeeltelijk te moeten houden aan de wet van Mozes. Als u de wet op uzelf van toepassing verklaart, dan bent u ook gebonden aan alle regels. Nergens lees je in de Bijbel dat de wet selectief toegepast mag worden. Integendeel. Als je struikelt in ťťn regel, dan ben je schuldig aan alle regels (Jak 2:10). Je leeft dan nog onder de vloek van de wet als je niet alles doet wat de wet voorschrijft (Gal 3:10).

Alles wat de wet zegt, dus ook de tienden, is alleen voor diegenen, die aan de wet onderworpen zijn (Rom 3:19a). De christenen leven echter niet onder de wet, maar onder de genade (Rom 6:14). Halleluja!
De bewering, dat tienden voor de hedendaagse christenen gelden is daarom een pertinente leugen en dus een dwaalleer!

Beste gemeenteleden, laat u niet op een dwaalspoor brengen en blijf bij de leer van de Bijbel. Paulus waarschuwde de mensen reeds voor dwalingen in de toenmalige Gemeenten (Kol 2:4).

7. Conclusie

Het opleggen van tienden aan de gemeenteleden is strijdig met Gods Woord en dus een dwaalleer. Het is vaak een doelbewuste misleiding van de gemeenteleden teneinde verzekerd te zijn van voldoende inkomsten voor de Gemeente en de voorganger. Het is de voorganger, die de tienden predikt, er vaak mede om te doen zijn eigen kas te spekken, teneinde zelf van een goedbelegde boterham verzekerd te zijn. De Bijbel heeft een hard oordeel over de zogenaamde broodpredikers (2 Pet 2:1-3).

Degenen die de tienden opleggen aan de gemeenteleden en hen onder de wet van Mozes trachten te brengen, scharen zich aan de kant van de FarizeeŽn. (Mat 23:1-2).

In Gemeenten waar de tienden gepredikt worden zijn vaak 3 zaken radicaal fout:

  1. De gemeenteleden worden weer geheel of gedeeltelijk onder de wet van Mozes gebracht.
  2. De voorganger heeft te weinig vertrouwen in God en in Zijn Woord, dat Hij zal voorzien in alle noden (Mat 7:7-11).
  3. De gemeenteleden hebben te weinig naastenliefde om te voorzien in de behoeften van de Gemeente en elkander.

(Peter Ju)